Nieuwsbericht
NRC13-12-2020
Deense en Nederlandse arbeidsmarktdeskundigen in gesprek: Deense 'flexicurity' als voorbeeld voor Nederland?
In een online interviewsessie van het NRC gaan twee arbeidsmarktdeskundigen, de Deense Søren Kaj Andersen van de universiteit van Kopenhagen en Ton Wilthagen van de Tilburg University, met elkaar in gesprek over de verschillen tussen het Deense en het Nederlandse arbeidsmarktmodel. De conclusie? Het Deense model van flexicurity - een term die Wilthagen gebruikte bij zijn onderzoek naar best practices op het gebied vn arbeidsflexibiliteit en sociale vangnetten in de EU - komt een stuk beter voor het voetlicht dan het Nederlandse model.
Het Deense model combineert beperkte ontslagbescherming met een royaal sociaal vangnet. Als Denen hun baan kwijtraken, wordt het salaris door de overheid maximaal twee jaar tot aan 90 procent doorbetaald. En is er een breed palet aan opleidingen beschikbaar die je voorbereiden op een nieuwe baan – niet zelden in een compleet andere sector. In een kleine economie als de Deense is het vaak onmogelijk om in dezelfde sector weer een baan te vinden, wat bij- of herscholing sectoroverstijgend noodzakelijk maakt.
Hoewel Wilthagen de afgelopen twee decennia onvermoeibaar ambassadeur is geweest van de Deense aanpak, is de belofte van dit model in Nederland nooit ingelost. Opeenvolgende crises sinds de tweede helft van de jaren negentig maakten juist dat vakbonden en wetgevers er alles aan deden vaste banen vaster te maken. ‘Flex’ kreeg volop de ruimte en vervolgens een negatieve bijklank door het explosief groeiend aantal flexwerkers. Grote bedrijven zijn steeds vaker geneigd zelf cao’s af te sluiten, waardoor de arbeidsvoorwaarden van groepen werknemers – vooral aan de onderkant – vaak verslechteren. Intussen is gemiddeld nog zo’n 16 procent van de Nederlandse werknemers lid van een vakbond.
In Denemarken werden de wenkbrauwen bijvoorbeeld gefronst toen ze hoorden dat werkgevers in Nederland twee jaar moeten doorbetalen bij ziekte. Ondanks de sociaal-democratische wortels van de samenleving, met circa 70 procent vakbondsleden, zou een dergelijke ingreep in de Deense verhoudingen ondenkbaar zijn. De lasten komen dan te veel op de schouders van één partij, wat de collectieve verantwoordelijkheid ondergraaft.
In Denemarken is ook veel minder arbeidswetgeving dan in Nederland. Met flexicurity als basis worden de meeste afspraken over arbeidsvoorwaarden vastgelegd in collectieve afspraken tussen werkgevers en bonden. De overheid verstrekt niet alleen uitkeringen, maar is met cao-partijen ook verantwoordelijk voor scholingstrajecten. In Nederland zit het geld daarvoor vaak vast in sectorale potjes. Dat maakt het minder gangbaar dat werknemers van de ene bedrijfstak naar de andere overstappen.
Natuurlijk is het Deense model niet honderd procent perfect. Zo is voor hogergeschoolden de terugval in inkomen vaak relatief groot, omdat vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt de uitkeringen worden aangevuld tot 90 procent. Daardoor is er voor mensen met hogere salarissen ook een particuliere verzekeringsmarkt ontstaan, om al te grote klappen op te vangen bij ontslag. Verder zorgt de instroom van Oost-Europeanen voor discussie: in hoeverre ondergraven zij de positie van Deense werknemers?
Andersen: „We zien hier ook een toename in het aantal flexwerkers, maar dat is op een heel andere schaal dan in Nederland.” Dat beaamt Wilthagen: „In Nederland bestaat 40 procent van de werkgelegenheid uit flexbanen en zzp’ers. Dat heeft voor banengroei gezorgd, maar die is nooit duurzaam geworden. In Nederland is het simpelweg niet gelukt het vaste contract aantrekkelijker te maken voor iedereen, dus ook voor werkgevers.”
Hoewel Wilthagen een grootschalige switch naar het Deense model niet meer ziet gebeuren, zegt hij dat er nog altijd veel zaken zijn waarvan we van de Denen kunnen leren. „Werkloosheid is daar voor werknemers gewoon niet zo’n ding. Dat geloofde ik ook niet, totdat ik het daar zag. Dat toont maar aan dat de garantie op werk belangrijker is dan de garantie op een baan. En daar moeten wij, met Denemarken in het achterhoofd, over blijven nadenken.”
